In Delft is er een debat gehouden over de toekomst van de kerk zo meldt het Nederlands Dagblad. Hoe ziet de kerk er over twintig jaar uit? Wat mij opviel aan het verslag van deze bijeenkomst waren de traditionele antwoorden die werden gegeven op deze vraag en tegenover elkaar werden gezet. Op de eerste plaats daar de mening van socioloog Wim Dekker die ziet dat het leven bij iedere moderne autonome mens, ondanks de secularisatie, toch existentiële vragen naar bijvoorbeeld de zin van het leven. Maar de samenleving wil geen ‘dunne ‘antwoorden’. De kerk kan daar in een tijd met een hang naar spiritualiteit op inspelen. De traditionele kerken hebben in hun traditie doordachte antwoorden in huis, aldus Dekker. En de nieuwe kerken en bewegingen – evangelisch en charismatisch – zijn sterk in beleving en spontaniteit. Beide tradities moeten volgens hem bij elkaar komen. Je zou kunnen zeggen dat dit een mening is die vooral meedeint op de maatschappelijke golven: het ongebreideld eogocentrisme heeft zijn langste tijd gehad en de kerk heeft gewoon een goede boodschap die – mits goed en ‘modern’ gebracht – zal bijna vanzelf weer de mensen trekken.
Daarnaast heb je de mening zoals verwoord door Andries Knevel die zei niets te geloven van een spirituele opleving waarover Dekker sprak. Volgens hem houdt vooral de elite zich daarmee bezig, en niet de maatschappelijk teleurgestelden, de SBS-kijkers en Wilders-stemmers. Over twintig jaar wordt de reformatorisch-evangelische stroming toonaangevend, schatte hij.
In het artikel kwam als derde mening die van Daniël de Wolf van de Thugh Church, actief in een achterstandswijk in Rotterdam, naar voren. Hij stelde dat de toekomst van de kerk niet ligt in woorden, maar vooral in daden. Hij pleitte voor een radicale navolging van Jezus Christus.
Zou het een wie van de drie zijn? Moet je voor een van deze drie standpunten kiezen?
Ik denk het eigenlijk niet. Volgens mij heeft Dekker gelijk wanneer hij zegt dat er een mentaliteitsverandering op komst is waarbij mensen weer meer belangstelling krijgen voor spiritualiteit. Maar in onze brede samenleving kun je volgens mij niet meer zo stellen dat de kerk hier de traditionele antwoordgever van is waarbij mensen met hun vragen naar toe komen. In een samenleving waarbij mensen zich via allerlei nieuwe media laten informeren zal de kerk niet het enige antwoord zijn op de existentiële vragen waar mensen mee zitten . Dat geldt juist voor mensen die niet met enige religieuze achtergrond zijn opgegroeid; die zullen de weg naar de kerk niet zo snel meer vinden. Hierdoo kom j al snel bij de mening verwoord door Knevel: Je kunt de maatschappelijk t
eleurgestelden niet meer bereiken. Daar denk ik heeft Knevel de geschiedenis van de kerk niet meer helemaal voor ogen. Het christendom is immers destijds ook begonnen als een kleine club, die in een schijnbaar voor hun boodschap onverschillige samenleving hun boodschap voor het voetlicht wist te brengen. En deed ze door – en hier komt de stelling van De Wolf in beeld – juist ook door te handelen: mensen die sociaal onaanraakbaar en afgeschreven waren werden door de eerste christenen behandeld als mens. Dat had zo’n uitstraling op de rest van de samenleving dat dit de beste reclame was voor het christendom en zo allerlei mensen en ook maatschappelijk teleurgestelden kon aantrekken. Deze diaconale taak is in de loop van de tijd hier in het Westen meer en meer overgenomen door de overheid. De laatste tijd echter trekt de overheid zich weer meer uit deze diaconale taak terug, waardoor de kerk weer meer in beeld komt. Maar we moeten niet alleen het handelen centraal stellen, maar ook goed blijven doordenken en ook gericht moet blijven op doordenking van het geloof.
Ik denk dat we op weg zijn naar een christendom dat haar geloof aansprekend maakt. Dat betekent misschien een kleinere christelijke gemeenschap die je volgens mij niet alleen zult vinden aan de reformatorisch-evangelicale kant van de kerk, maar bij elke christen die de boodschap van de Bijbel waarachtig neer kan zetten. En dat zal dan niet alleen in daad – iets wat ook heel belangrijk is – maar ook in woord zijn beslag krijgen.

Over zo’n opstelling windt Schravesande zich enorm op. Er is geen tijd te verliezen, we moeten niet onze tijd verdoen met wetenschappelijk, rationalistisch geneuzel waardoor kostbare tijd verloren gaat. It s is time to turn, NOW.
Hoop blijkt het centrale begrip in zijn toespraak. Hoop die Obama linkt aan de Bijbel:
Dit gemeenschapsbesef zie je duidelijk vormgegeven worden in de kerkelijke gemeenschap: de gemeente van Christus is een gemeenschap waarin je wordt opgenomen; die gemeenschap was er al voordat jij er was en heeft ook een zeker gezag over jou. Natuurlijk is er ook sprake van interactie, want het behoren bij een gemeente is ook een innerlijke keuze. Maar niet in de sfeer van: ik kies. Eerder: jij wordt gekozen. En je bent deel van een gemeenschap. Dit gemeenschapsbesef is zodoende kenmerkend voor een christelijke visie op de samenleving.
En het geld wat ze dan overhouden zetten ze weg op een spaarrekening of beleggen ze.
tot ieders verrassing lijkt de weg die naar de kerk leidt verdacht veel op de brede die wij Nederlanders zo goed kennen van een heel andere plaat over de brede en de smalle weg en waar de brede weg de weg nou net niet de christelijke levensstijl uitbeeld. Ik vind dit een interessant gegeven. De laatste tijd komen er steeds meer zaken in het nieuws, al of niet geholpen door de spreekwoordelijke komkommertijd, dat christenen en/of christelijke organisaties het zelf niet zo nauw nemen met hun eigen christelijke ethische normen of dat ze het moeilijk vinden het christelijk geluid echt te laten klinken. ‘De brede weg’ lijkt ook voor christenen erg aanlokkelijk. Het begint er werkelijk op dat de brede weg naar de kerk leidt. Laatst las ik dat niet-christenen zich vooral ergeren aan het feit dat christenen zich niet houden aan hun eigen normen en waarden. Ik denk dat we ons dat moeten aantrekken. Het lijkt er op dat christenen zich schamen voor de boodschap die ze uit moeten dragen, dat ze graag willen opgaan in hun omgeving en daardoor ook hun normen en waarden aanpassen aan anderen. Eigenlijk willen we dat de brede weg naar de ‘kerk’ leidt. Niet te veel opvallen, niet te veel anders dan anders zijn. Terwijl de boodschap die het christendom kan en moet uitdragen er een is van een totaal ander beeld met betrekking tot de hele wereld en de samenleving.
Het is echter vreemd dat de contractanten zich dan wel de wetenschap toedichten dat hun fysieke vermogens binnen het zogenaamde ‘normale’ bereik vallen. Nussbaum schrijft dan dat de omgeving aangepast was aan mensen met een ‘normale’ handicap. Geluid kan worden gehoord door mensenoren en niet alleen voor hondenoren, bijvoorbeeld. De samenleving houdt geen rekening met mensen met atypische beperkingen. Er wordt soms geen rekening gehouden met de protheses van mensen met beperkingen. ‘Normale’ mensen kunnen ook gebruik maken protheses, die heten dan bus of auto. Voor mensen die afhankelijk zijn van anderen is er geen plaats in de basisstructuur van de samenleving. Globale gelijkheid als structureel kenmerk, en wederkerig voordeel als het beoogde doel, bepalen nog steeds wie er oorspronkelijk participeren en wat elke betrokkene uit de samenwerking probeert te halen. In het sociaal contractdenken vigeert de de aanname dat burgers over ‘normale capaciteiten’ moeten beschikken om in ieder geval productieve arbeid te kunnen verrichten. Er is geen plaats voor atypische maatschappelijke voorzieningen die mensen met een beperking in staat kunnen stellen zo goed mogelijk te participeren. Want vervolgens moet niemand opdraaien voor de kosten die voortvloeien uit de aanpassingen die gedaan moeten worden voor speciale voorzieningen. Vooral deze laatste toevoeging maakt het interessant om over mensen met een beperking na te denken in de huidige context. Mensen worden steeds ouder en zullen op een bepaalde leeftijd moeten gaan leven met beperkingen die inherent zijn aan het ouder worden. Als we het sociaal contractdenken nu extreem doorvoeren zou dit betekenen dat deze mensen die tijdelijk met een beperking leven, niet meer meetellen in de samenleving van ‘normale’ mensen. Deze theorie schaart mensen met een levenslange beperking en zij die met een tijdelijke beperking onder dezelfde noemer: het zijn beide personen die niet meetellen in de ‘normale’ samenleving. Zeker in de huidige context waarin mensen een steeds hogere leeftijd bereiken, met alle tijdelijke beperkingen vandien, is een ‘herwaardering’ van de sociaal contracttheorie op zijn plaats.
, omdat ze veel eerlijke producten gebruikt of promoot.