Wat is groot in de wereldpolitiek?
Blijkbaar: lawaai.
Raketlanceringen.
Spoeddebatten.
Talkshows waarin we
vanuit Hilversum
even de wereld herschikken.

We leven in een tijd
waarin iedereen een grootmacht wil zijn.
Zelfs landen die dat allang niet meer zijn.
En opiniemakers al helemaal.
In Nederland denken we soms
dat een stevig opiniestuk
hetzelfde is
als geopolitieke slagkracht.
We “eisen” een staakt-het-vuren.
We “veroordelen” grootmachten.
We “roepen op” tot onderhandelingen.
Alsof Poetin of Trump 
wakker liggen
van een moreel
verontwaardigde column
uit Nederland.

Maar grote principes kun je pas uitdragen
als je de macht hebt om ze af te dwingen.
Morele taal zonder macht is lucht.
En macht zonder ordenend principe
is pure intimidatie.

Kijk naar de wereld nu.
Rusland probeert de grenzen
met geweld te herschrijven
en noemt dat geschiedenis.
Amerika laveert tussen spierballen en vermoeidheid.
Iedereen wil laten zien:
wij zijn groot.
Maar wat is dat eigenlijk, groot?

Is het veel wapens hebben?
Is het ze ook gebruiken?
Is het één jaar oorlog volhouden?
Twee?
En als je daarna door je munitie heen bent
en je economie kraakt,
ben je dan nog steeds een grootmacht?
Of gewoon een rijk met ‘imperial overstretch’?

We zijn verwend geraakt
door een uitzonderlijke periode
waarin macht en orde
min of meer samenvielen.
NAVO als militair schild.
EU als economische ordeningsmacht.
De VN als moreel decor.
Dat leek normaal.
Maar dat was het niet.
Het was een historisch geluksmoment.

Nu brokkelt het af.
En in dat vacuüm
grijpen leiders naar grootse verhalen.
‘Heilige missies’.
‘Beschavingsstrijd’.
Rijken die hersteld moeten worden.
Het individu?
Collateral damage.
Mensenrechten?
Westers sausje.
Nee, het gaat om lotsbestemming.

En wij?
Wij roepen vanaf de zijlijn dat het anders moet.

Misschien moeten we eerst
in de spiegel kijken
van de lofzang van Maria uit de Bijbel.
Geen zoetsappig kerstlied,
maar een politiek explosief gedicht.
“Heersers stoot Hij van hun troon,
eenvoudigen verheft Hij.”
Machtigen worden ontmaskerd.
Rijken met lege handen weggestuurd.

Dat is geen romantiek.
Dat is een waarschuwing.

Want Maria’s lied is een spiegel voor elke grootmacht.
Wie zichzelf verheft, wordt uiteindelijk neergehaald.
Wie denkt geschiedenis met geweld
te kunnen bezegelen,
overschat zichzelf.
Hybris heet dat.
En hybris komt altijd
met een rekening.

Maar het is óók een spiegel
voor kleine landen met grote woorden.
Want Maria zingt niet:
“Zalig zij die veel tweeten.”
Ze zingt over omkering.
Over verantwoordelijkheid.
Over trouw aan iets
dat groter is dan je eigen statusdrang.

Met grote macht
komt grote verantwoordelijkheid.
Maar het omgekeerde
is net zo waar:
zonder echte macht
is grootspraak goedkoop.

De wereldorde wankelt.
Grote mogendheden voelen zich kleiner.
Kleine landen gebruiken hele grote woorden.
Dat maakt het gevaarlijk.
Want wie zich miskend voelt, gaat schreeuwen.
En wie schreeuwt, luistert niet.

Misschien begint wijsheid
niet met nóg een ferme veroordeling.
Maar met nuchterheid.
Met het serieus nemen
van leiders die hun geschiedenis
met bloed willen schrijven.
Met beseffen
dat morele verontwaardiging
geen afschrikking is.

Maria’s lofzang leert ons dit:
grootheid wordt niet bepaald
door wie het hardst slaat,
maar door wie recht doet.
En elke macht die dat vergeet,
hoe imposant ook,
staat al wankel.

Dat is geen vrome gedachte.
Dat is historische wetmatigheid.

 

Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?

 

Paulus doet iets wat wíj meestal vermijden:
hij kijkt eerlijk terug op zijn leven.
Niet sentimenteel,
maar boekhoudkundig.
Winst links. Verlies rechts.
En geloof me:
vóór zijn bekering stond die winstkolom ramvol.

Perfect Joods. Achtste dag besneden. Ras-Israëliet.
Stam Benjamin. Moedertaal Hebreeuws. Farizeeër.
Wet tot in de puntjes nageleefd.
Voor God en mensen: onberispelijk.
Religieuze LinkedIn op standje indrukwekkend.

En ja, oké, hij vervolgde christenen.
Fanatiek zelfs.
Maar ook dat deed hij “uit overtuiging”.
Met ijver. Met passie. Alles klopte.

Totdat hij Jezus ontmoet.

En dan keert de hele balans om.
Alles wat eerst winst was, schuift naar verlies.
Niet voorzichtig. Niet onder voorbehoud
Nee: afval. Vuilnis. Rioolspul.
Paulus gebruikt een woord dat je beter vertaalt met:
door de wc gespoeld. Weg ermee.
Want als je het bewaart, gaat het stinken.

Was dat allemaal slecht?
Nee.
Maar het stond in de weg.
Het gaf hem het gevoel dat hij zichzelf wel kon redden.
En precies dát moest weg om Christus te winnen.

Want bij Jezus is geen ruimte voor eigen verdienste.
Geen spirituele cv.
Geen “ik heb het toch netjes gedaan?”.
Wie zichzelf rechtvaardigt,
heeft Christus niet nodig.
En wie Christus wil kennen,
moet zijn eigen gelijk loslaten.

En dan zegt Paulus iets wat schuurt.
Hij zegt: ik wil Christus kennen
en de kracht van zijn opstanding ervaren.
Dat klinkt goed.
Leven. Hoop. Overwinning.
Maar hij gaat verder:
door te delen in zijn lijden.
Door aan hem gelijk te worden in zijn dood.

Pardon?

Dat stond niet in de reclamefolder.
We willen leven, niet lijden.
Groei, geen kruis.
Maar Paulus kiest hier bewust voor.
Waarom?
Omdat juist dáár die opstandingskracht zichtbaar wordt.

Het woord dat hij gebruikt voor “kracht” is dynamiet.
Explosieve kracht.
Niet om problemen te ontwijken,
maar om er dwars doorheen te breken.
Blokkades verdwijnen.
Angst. Weerstand. Zelfs de dood.

De kerk groeit niet ondanks verdrukking,
maar vaak erdoorheen.

Het bloed van martelaren werd zaad.
Dat is geen romantiek, dat is geschiedenis.
En het geeft hoop.
Ook nu, nu geloof krimpt
en de kerk naar de rand schuift.

Paulus twijfelt niet aan de toekomst.
Als hij zegt: “hoe dan ook zal ik opstaan”,
bedoelt hij geen onzekerheid,
maar vertrouwen.
Hij weet niet hóé het zal gaan.
Maar dát het zal gebeuren, staat vast.

Christus kennen is geen denkspel.
Het is je hele leven inzetten.
Met winst én verlies.
Met dood én leven.

Het graf is niet het eindpunt.
De kracht van de opstanding werkt al.
En zal afmaken wat God begonnen is.

Alles door de wc.
En toch rijker dan ooit.

 

Loop een willekeurige verjaardag binnen
en je hoort het meteen:
Nederland is kapot. Gebroken.
Beste mensen,
We zijn één van de rijkste landen ter wereld
en toch klinkt het alsof we collectief
op een doorgezakte campingstoel zitten
te mopperen over alles.
Over de politiek.
Over “de staat van het land”.
Over elkaar.
Alsof het ergens onderweg mis is gegaan
en niemand precies weet wanneer.

Dus ja, de vraag dringt zich op:
is Nederland kapot?
Is dat tere vaasje
waar Mark Rutte
het ooit over had gebroken?

Eerlijk antwoord: ja.
Natuurlijk.

Maar nieuwsflash:
dat geldt voor élke samenleving
die ooit door mensen is gebouwd.
De grote kerkvader Augustinus
zei het al, zestien eeuwen geleden:
‘geen enkele menselijke samenleving is onschuldig.
Geen enkele cultuur is puur.
Elk land is gebouwd op onrecht, geweld,
machtsmisbruik of uitbuiting
of een mix van die vier.
Het Romeinse Rijk,
het grote voorbeeld van beschaving in zijn tijd,
draaide op onderwerping en geweld.

En wij?
Wij zijn niet ineens een morele uitzondering.

Volgens diezelfde Augustinus
is er maar één stad die écht heel is:
de Stad van God.
Een samenleving die niet draait
om eigenbelang,
maar om zelfopoffering.

En die bestaat hier niet.
Althans, nog niet.
Alles wat mensen bouwen,
is in meer of mindere mate gebroken.

Dus ja,
de mensen die zeggen
dat Nederland gebroken is,
hebben gelijk.

Maar meestal gaan ze
tegelijk de mist in op drie punten.

Eén:
ze doen alsof dát het enige is
wat je over Nederland kunt zeggen.
Gebroken of niet
en kies je het verkeerde antwoord,
dan hoor je bij ‘de verkeerde kant’.
Maar het leven is geen ja/nee-vraag.

Het christelijk verhaal kijkt anders.
Het zegt:
Nederland is tegelijk geschapen, gevallen
én hier en daar verlost.
Het is een goed land,
bevolkt door mensen
die door God geschapen en geliefd zijn.
Een land met creativiteit,
zorgzaamheid
en een enorme potentie
voor het goede.
Maar ook een land
waarvan de rijkdom
deels is gebouwd op slavernij, kolonialisme,
uitbuiting en milieuschade.
En tóch:
ook een land met instellingen
en tradities die hoe gebrekkig ook
iets van genade laten zien.

Neem de zorg.
‘Die is kapot,’ horen we dagelijks.
Wachttijden, personeelstekorten,
managers met spreadsheets.
Papierwerk.
En ja, dat is allemaal waar.
Maar vergis je niet:
het gros van de wereld
zou een moord doen
voor ons zorgstelsel.
Hetzelfde geldt voor onze rechtsstaat, onze economie,
onze politie en krijgsmacht.
Niet perfect, vaak onder druk,
maar meestal geen corrupte puinhopen.
Gods genade
werkt ook in gebroken systemen.
Dat mogen we best hardop zeggen.

Twee: het idee dat er ooit een gouden tijd was.
Een moment waarop Nederland wél soepel,
harmonieus en rechtvaardig functioneerde
totdat zíj het kwamen verpesten:
Immigranten.
Woke-activisten. kapitalisten.
Fascisten.
Kies je vijand.
Maar die tijd heeft nooit bestaan.
Onvrede hoort bij het menselijk bestaan.
Alles wat we bouwen,
draagt de kiem van verval al in zich.
Niets blijft.
Geen systeem.
Geen ideologie.
Geen kabinet.
(lekker positief voor Jetten, dit)

En drie:
het idee dat wij, of onze favoriete partij
het wel even gaan fixen.
Elke hervormingspartij belooft redding.
Net als Trump.
Net als Biden of Obama.
Net als iedere nieuwe leider ooit.
Ze móéten wel.
Maar politiek is, zoals Bismarck zei,
de kunst van het haalbare.
Van het op-één-na-beste.
Dat is geen cynisme,
dat is realisme.

We hebben politiek nodig.
We moeten samenleven,
compromissen sluiten,
het een beetje draaglijk houden.
Maar laten we asjeblieft ophouden
te doen alsof politici ons gaan redden.
Of de markt.
Of de staat.
Zij kunnen ons niet vergeven.
Onze zelfzucht niet genezen.
Onze gebroken harten niet helen.

Dus ja: Nederland is gebroken.
Net als elke menselijke samenleving.
Laten we stoppen met slogans
en beginnen met eerlijkheid.
We waarderen wat goed is.
We erkennen wat fout is.
We proberen samen te leven
met bescheiden verwachtingen
van de politiek.
En met het besef
dat echte redding
van elders moet komen.

 

Laten we eerlijk zijn: corruptie is niet de uitzondering.
Het is onze standaardinstelling.
Zet mensen onder druk door schaarste, onzekerheid, crisis
en het dunne laagje beschaving bladdert er zo af.
Dan schuiven we baantjes toe aan vrienden,
regelen we dingen voor familie,
knijpen we een oogje dicht als het ons uitkomt.
Eeuwenlang was dat normaal.
Afkomst, netwerk, loyaliteit — dát was je kwalificatie.
Het idee dat we objectief en neutraal op merites selecteren?
Dat is een recente uitvinding.
Een vernislaagje.
En vernis slijt.

In het Italië van Berlusconi kon je zien hoe dat werkte.
Studenten die een meervoudig veroordeelde leider
niet verafschuwden maar bewonderden.
Basking in reflected glory: Meeliften op de glans van iemand
die de regels buigt en ermee wegkomt.
Niet boos worden om zelfverrijking, maar denken:
zo wil ik ook zijn.
Je stemt op de man die je geld uit je zak klopt,
omdat hij succes uitstraalt
en het establishment een schop geeft.
De political signaling theory noemt dat:
we volgen graag wie zichtbaar
de regels kan breken en winnen.
Je kunt beter bij de winnaar horen
dan bij de moraalridder.

En dan zeggen we verbaasd:
hoe kan dit gebeuren?
Alsof het kwaad iets exotisch is.

Maar het christendom
is daar al duizenden jaren nuchter over.
“Gij zult niet stelen.” “Gij zult niet begeren.” De Tien Geboden.
Dat zijn geen vrijblijvende adviezen voor een paar schurken.
Dat zijn geboden voor ons allemaal.
Omdat de neiging om te pakken wat niet van ons is,
diep in ons zit.
Niet alleen je buurmans bezit,
maar ook zijn positie, zijn invloed, zijn kansen.
Corruptie begint bij begeerte.
Bij het idee dat wat van ons is, nooit genoeg is.

Jezus gaat nog verder.
Hij zegt niet alleen: steel niet.
Hij zegt: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Met andere woorden:
het probleem is niet alleen de daad,
maar de gerichtheid van je hart.
Wie leeft voor macht, status en zelfverrijking,
zal de regels altijd als hinderpaal zien.
Wie leeft voor God en de naaste,
ziet macht als verantwoordelijkheid.
“Wie onder u de grootste wil zijn, moet dienaar zijn.”
Dat is een frontale botsing
met de logica van de sterke man
die regels buigt en applaus oogst.

Dus als we het hebben over democratie
en de vraag of landen afglijden richting fascisme,
dan gaat het uiteindelijk niet om etiketten.
Het gaat om een geestelijke kwestie.
Weet een samenleving haar eigen neiging
tot afgoderij te beteugelen?
Want dat is wat het is:
afgoderij van macht, succes,
de leider die zegt: ik alleen kan het fixen.
De Tien Geboden beginnen niet met “steel niet”,
maar met:
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”
Zodra macht of leider onze god wordt,
volgen de andere geboden vanzelf als slachtoffers.

De Duitse historicus Götz Aly schreef onlangs:
“Het Derde Rijk was niet alleen een Führerstaat.
Het was een morele ineenstorting
waarin talloze mini-Hitlers dachten:
dit is mijn kans.”

Beroof de ander, zet jezelf neer als slachtoffer,
schakel onafhankelijke instituties uit.
Dat is zonde in politieke vorm:
jezelf tot maatstaf maken
en de ander tot middel.

Fascisme is de staat als corruptiemachine.
Maar die machine draait op brandstof
die wij zelf leveren:
jaloezie, angst, begeerte, wrok.
En laten we niet doen
alsof dit alleen over Amerika gaat
of alleen over “de ander”.
Nederland staat hoog in lijstjes van niet corrupte landen.
Mooi.
Maar geen ranglijst redt ons van ons eigen hart.

De vraag is dus niet: is Amerika fascistisch?
De vraag is:
erkennen we dat er in ieder van ons een mini-tiran huist?
Iemand die best wil profiteren als het kan?
Het christelijke antwoord
is niet naïef optimisme, maar bekering.
Erkenning van schuld. Discipline.
Wet én genade.
Regels die ons begrenzen
en een Christus die ons hart wil vernieuwen.

Democratie is uiteindelijk geen technisch systeem.
Het is een morele oefening.
Dagelijks kiezen om niet te begeren, niet te stelen,
niet te buigen voor valse goden.
Dagelijks leren dat ware grootheid
niet zit in pakken wat je kunt,
maar in dienen waar je staat.
Dat is geen zachte boodschap.
Dat is een radicaal alternatief
voor de corruptiemachine.

 

Moet je eigenlijk heel slim zijn om in God te geloven?
Of juist een beetje dom?

Vraag het op een universiteit en je weet het antwoord al.
Evolutie regelt het leven. Natuurkunde regelt het heelal.
Psychologie regelt ons hoofd.
God? Overbodig. Oud idee.
Geloof is iets voor wie het allemaal niet zo scherp ziet.

En toch hoor ik in de kerk juist het omgekeerde.
Niet: “Wat is geloven makkelijk.”
Maar: “Ik vind het zo ingewikkeld.”
Die dikke Bijbel.
Zonde, verlossing, kruis, opstanding, eeuwig leven.
Onzichtbaar. Ongrijpbaar.
Tweeduizend jaar oud. Dat geloof je toch niet zomaar?

Welkom in de veertigdagentijd!
De tijd waarin het christelijk geloof ook níét probeert makkelijk te zijn.
Geen paashaas, geen halleluja. Maar stilte. Schuren. Het kruis.

Paulus wist daar alles van.
In Korinthe liep hij niet te scoren met slimme praatjes.
Dat was nou juist dé stad van slimme praatjes.
Filosofen, denkers, debaters.
Maar Paulus deed niet mee.
Geen mooie woorden. Geen logische bewijzen.
Hij kwam met één boodschap:
Jezus Christus – en die gekruisigd.

Dat was ongeveer het domste wat je daar kon zeggen.

Een God die mens wordt?
Een God die sterft?
Aan een kruis nog wel?

Dat paste totaal niet in hun wereldbeeld.
Net zo min als het vandaag past in het onze.
Wij geloven in vooruitgang, zelfontplooiing en controle.
En dan komt die veertigdagentijd ineens
met een God die verliest, lijdt en zwijgt.
Dat botst.
Logisch dat je gaat twijfelen.

Twijfel is geen teken dat je niet gelooft.
Twijfel is vaak juist een teken dat je wakker bent.

Paulus zelf was bang en onzeker.
Hij zegt het gewoon: zwak, bevend, geen succesverhaal.
In anderhalf jaar tijd vijftig mensen overtuigd.
Dat is geen TED Talk. Geen bestseller.

Maar hij hield vol.
Niet omdat hij alles begreep.
Niet omdat hij slimmer was dan de rest.
Maar omdat hij Jezus ontmoet had.
Dat ene moment had
zijn hele wereldbeeld omgegooid.
Alsof hij ineens ontdekte
dat de aarde niet plat was, maar rond.

En dát is misschien wel de kern van de veertigdagentijd.
Niet: alles zeker weten.
Maar durven loslaten wat vanzelfsprekend voelt.
Durven luisteren naar een verhaal dat niet lekker ligt.
Dat schuurt met wat iedereen zegt.

De vraag is dus niet: ben je slim of dom?
De vraag is: waar luister je naar?

Naar het lawaai van meningen, nieuws en tijdlijnen?
Of naar die stille Man aan het kruis,
die zegt dat liefde sterker is dan macht?

De veertigdagentijd vraagt geen bewijsdrang.
Ze vraagt eerlijkheid.
En misschien ook moed.

Want voor die liefde aan het kruis
is niemand te slim.
En niemand te dom.

 

Ik las het laatst en ik schrok me rot:
als we zo doorgaan, brengen we de komende tien jaar
ongeveer anderhalf jaar van ons wakkere leven door op onze telefoon.
Anderhalf jaar. Scrollend. Tikkend. Swipend.

En dan heb ik het niet eens over Generatie Z,
die gemiddeld zes uur per dag op dat ding zit.
Zes uur.
Dat is geen bijzaak meer.
Dat is een levensstijl.
Dat is liturgie.

We lachen erom.
“Ja, ik zit wel veel op m’n telefoon.”
Maar intussen pakken we ’m op
zonder dat we het doorhebben.
Bij elk piepje. Bij elke stilte.
Bij elke seconde verveling.
“Ik probeer te leven – maar ik raak afgeleid” las ik laatst.
Dat is geen onschuldig zinnetje. Dat is een diagnose.

En precies daarom komt de veertigdagentijd als geroepen.

We begonnen met Vastenavond, ‘Shrove Tuesday’
– pannenkoeken stapelen, alles opmaken wat op moet.

En dan:
Aswoensdag.
Stof ben je.
Zes weken oefenen in minder.
Minder eten. Minder luxe. Minder ruis.
Niet om zielig te doen, maar om wakker te worden.

Wat als we dit jaar eens zouden vasten van onze telefoon?

Ja, ik weet het.
Werk.
Appjes.
Agenda.
Maar wees eerlijk: hoeveel daarvan is echt nodig?
En hoeveel is gewoon gewoonte?
We hebben onszelf getraind in afleiding.
Elke dag herhalen we hetzelfde ritueel:
pakken, kijken, scrollen.
Ons hart volgt onze handen.
En onze handen grijpen
steeds naar glas en licht.

We zeggen dat we verbonden zijn.
Maar wat voor verbinding is dit?
We worden gebombardeerd
met meningen, rampen,
perfecte lichamen en perfecte levens.
En ondertussen missen we de mensen
die letterlijk tegenover ons zitten.
“Sociaal” is het allang niet meer.
Het is lawaai.

Misschien is het tijd voor iets radicaals.
Iets ouds. Iets analoogs.

Een gewoon horloge. Een echt boek.
Een notitieboekje
in plaats van meteen googelen.
Een wandeling zonder podcast.
Ongemakkelijk?
Absoluut.
Inefficiënt?
Zeker.
Maar dat is nou juist het punt.

Want het analoge leven gaat over drie dingen
die we aan het kwijtraken zijn:
gemeenschap, creativiteit en rust.

Gemeenschap:
niet duizenden volgers,
maar één mens aan je keukentafel.
Iemand aankijken
zonder dat je scherm ertussen zit.

Creativiteit:
niet alleen consumeren, maar maken.
Iets met je handen doen.
Naaien. Tekenen. Schrijven. Koken.
We zeggen dat we “geen tijd” hebben.
Onzin.
We hebben tijd zat.
We geven ’m alleen weg.

En dan rust. Echte rust.
Niet “even Netflixen om bij te komen”.
Maar stoppen.
Een sabbat. Een dag zonder moeten.
Zonder presteren. Zonder scrollen.
Gewoon zijn.
Verveling toelaten.
Want juist in die leegte gebeurt er iets.
Daar geneest je verbeelding.
Daar hoor je weer wat er in je leeft.
Daar kan God eindelijk tussenkomen
zonder dat Hij moet concurreren
met je notificaties.

Dit is geen pleidooi om technologie te links te laten liggen.
Het is een oproep tot bekering.
Ja, dat woord.
Omkeren.
Je tijd opnieuw ordenen.
Je verlangens opnieuw richten.

Veertig dagen. Dat is alles wat ik vraag.

Niet om offline te vluchten uit de werkelijkheid,
maar om terug te keren naar wat echt is.

Want de vraag is niet hoeveel schermtijd je hebt.

De vraag is: wie word je ervan?

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

Still uit de serie House of David

We hebben het christendom al zo vaak begraven
dat de begrafenisondernemer er moedeloos van moet worden.
In talkshows, in opiniestukken, op universiteiten:
het was klaar, passé, iets voor oma’s met hoedjes
en dorpskerken die naar vocht ruiken.
Zeker in het Westen zou het geloof
z’n langste tijd gehad hebben.
De Verlichting had gewonnen,
Netflix had het met plat entertainment overgenomen.

En toen gebeurde er iets ongemakkelijks.

Terwijl wij zelfverzekerd concludeerden
dat God met pensioen was gestuurd,
begonnen jongeren zonder kerkelijke bagage
– zonder de kramp van oude ruzies –
opnieuw vragen te stellen.
Geen cynische vragen, maar existentiële.
Wie ben ik? Wat doe ik hier?
Is er méér dan dit algoritme dat mij beter kent dan mijn moeder?
Ze lopen niet massaal in ganzenpas de kathedralen binnen,
maar ze kloppen wel aan.
Openminded. Nieuwsgierig.
Soms zelfs geestelijk hongerig.

En kijk naar onze schermen.
House of David, Mary, The Chosen;
met honderden miljoenen kijkers wereldwijd.
In een oververhitte streamingmarkt,
waar elke seconde aandacht geld is,
blijken Bijbelse verhalen ineens
geen stoffige relieken
maar winstgevende titels.
Het christelijke entertainment is,
zo kopte een artikel, ‘opgestaan’.
Ironischer wordt het niet.

Begrijp me goed:
het is niet allemaal goud wat er blinkt.
Sommige producties zijn houterig, braaf, esthetisch armoedig.
Alsof vroomheid automatisch gelijkstaat aan middelmatigheid.
En ja, we herinneren ons nog
Mel Gibsons bloederige The Passion of the Christ uit 2004
dat bij velen vooral misselijkheid opriep.

Dit is geen triomftocht met wierook en gejuich.

Maar de vraag dringt zich op: waarom nu? Waarom deze toename?

Misschien omdat de wereld donkerder voelt
dan we willen toegeven.
Niet objectief per se want statistieken zijn grillig,
maar existentieel.
Het nieuws is een eindeloze stoet van crises.
Oorlog. Polarisatie. Klimaatangst.
Economische onzekerheid.
Zoveel mensen zijn afgehaakt,
niet uit onverschilligheid maar uit zelfbescherming.
Nog één pushbericht en je zakt door je hoeven.

In zo’n klimaat klinkt de zin
van een studiobaas bijna profetisch:
mensen willen iets kijken dat ‘het geloof herstelt’.
Dat is geen marketingtruc.
Dat is een noodkreet.

Christelijke verhalen
– wanneer ze goed verteld worden –
bieden geen suikerlaagje over de realiteit.
Ze tonen verraad, geweld, schaamte, dood.
Maar ze durven ook iets wat wij verleerd zijn:
een verlossend einde denken.
Vergeving boven wraak.
Nederigheid boven trots.
Wonden die genezen.
Licht dat niet wordt opgeslokt door duisternis.
Zelfs de dood die niet het laatste woord heeft.

Misschien verlangen we daar niet naar
omdat we zo religieus zijn,
maar omdat we zo moe zijn.

Laatst vertelde een jonge moeder mij, met trillende stem,
dat zij en haar man weer naar de kerk gingen.
Niet uit traditie.
Niet uit overtuiging.
Maar omdat ze net een baby hadden gekregen
en het leven hen overspoelde.
‘We weten niet of we het gaan redden,’ zei ze.
‘maar we hebben iets nodig om op te hopen.’

Dat is het.

Hoop is geen luxeartikel voor optimisten.
Het is zuurstof voor mensen
op een slagveld van verantwoordelijkheden,
verwachtingen en angsten.
We proberen allemaal te overleven
in een wereld die tegelijk schitterend en meedogenloos is.
De oude vraag blijft:
hoe kunnen we hier niet alleen bestaan, maar ook bloeien?

Misschien is het momentum
van christelijk entertainment
geen cultureel ongelukje, maar een spiegel.
Een teken dat onder onze cynische buitenlaag
een koppig verlangen leeft.
Naar betekenis.
Naar vertrouwen.
Naar een God die niet is weggevaagd
door onze scepsis.

We hebben Netflix misschien
niet nodig om te overleven.

Maar verhalen van geloof en hoop?
Die wel.
Zonder die verhalen redden we het niet.
Met hen – hoe gebrekkig ook verteld –
durven we tenminste te geloven
dat het licht nog steeds
sterker is dan het donker.

 

Bijna iedereen herkent het wel.
Een kind vraagt iets, je zegt nee,
en je krijgt dat onverwoestbare argument terug:
‘Maar ik wil het gewoon hebben.’
Onderhandelen, compromissen sluiten,
snappen dat de wereld niet om jou draait;
dat leer je meestal pas later. Tenminste, dat is de bedoeling.

Maar sommige mensen groeien daar nooit overheen.
En laten we eerlijk zijn:
dat is vooral pijnlijk om te zien
als het volwassenen betreft.
Nog pijnlijker als ze rijk, machtig en invloedrijk zijn.
En ja, daar komen we onvermijdelijk uit bij Donald Trump.

Trump wilde een Nobelprijs voor de Vrede
voor de ‘8+ oorlogen’
die hij wel of niet heeft beëindigd.
Die kreeg hij niet.
Nu wil hij Groenland.
Niet omdat het nodig is, niet omdat het logisch is,
maar omdat hij het gewoon wil hebben.
En dat terwijl de Verenigde Staten als sinds 1951
het wettelijke recht hebben
om op Groenland defensie-infrastructuur te bouwen
en het te gebruiken
ter verdediging van zowel Groenland als zichzelf.
Er is dus geen probleem dat opgelost moet worden.
Behalve dan zijn frustratie.

Trump is eigenlijk een fascinerend studieobject
voor de ontwikkelingspsychologie.
Aan de ene kant denk je:
stuur hem naar zijn kamer.
Aan de andere kant
is dit geen kinderachtig incident,
maar een geopolitieke dreiging
die de NAVO en daarmee de wereldvrede raakt.
En dat maakt het ineens bloedserieus.

Misschien is dat wel het moment
om opnieuw na te denken
over wat vrede eigenlijk is.
In de simpelste vorm:
de afwezigheid van oorlog.
Maar vrede is meer dan dat.
Het is de zekerheid
dat je in waardigheid kunt leven,
met zelfbeschikking,
zonder permanente dreiging.

Dat is precies het soort ‘zachte macht’
waar Trump niets mee heeft.
Voor hem is vrede geen waarde,
maar een product, een commodity.
Noorwegen heeft hem geen Nobelprijs gegeven
— alsof ze dat ooit kunnen doen —
dus laat hij vrede vallen als een slechte deal.
In plaats daarvan dreigt hij met strafheffingen
tegen Nederland en andere Europese landen
als zij Denemarken niet dwingen Groenland af te staan.
Wat dat precies betekent?
In zijn hoofd waarschijnlijk: slim onderhandeld.

Maar vrede is geen handelswaar.
Voor christenen is het een genadegave.
En ook voor veel niet-gelovigen
is het nog steeds iets fundamenteel menselijks,
iets dat je koestert en beschermt.
Hoe dan ook:
vrede is een absolute waarde.
En dus een object
dat je verkoopt aan de hoogste bieder.

Vrede is geen transactie, maar een geschenk.
En alles wat kostbaar is, moet worden bewaakt.
Een ander woord voor bewaken is defensie.
Daarom hebben landen defensiebudgetten.
Niet om te roven,
maar om te beschermen wat kwetsbaar is.
Daarom bestaat de NAVO.
Omdat we samen sterker staan
in het bewaren van vrede.

Trump houdt wel van kracht,
maar alleen van de kracht van de pestkop.
Zijn favoriete mantra ‘vrede door kracht’
lijkt verdacht veel op de Pax Romana:
ik bepaal de vrede, want ik ben sterker dan jij.
In die logica kan hij Groenland opeisen
omdat Denemarken en zijn bondgenoten kleiner zijn.

Wat hij compleet negeert,
is het idee van zwakte.
In zijn wereld is zwakte iets om te verachten.

Wijzere mensen weten beter.
Paulus schreef al dat kracht juist in zwakte kan schuilen.
Ingenieurs snappen dat intuïtief:
een constructie is maar zo sterk
als haar zwakste punt.
Wie de zwakken beschermt,
erkent de collectieve kracht van het geheel.

Leiderschap in de vrije wereld
betekent niet dat je zwakkere landen opslokt,
maar dat je ze bijstaat,
zeker wanneer ze onder druk staan
van minder welwillende spelers.
Zwakte is geen uitnodiging tot overname,
maar tot solidariteit.
Dáár hangt vrede van af.

Het is een klassieke denkfout
om te geloven dat omdat je de grootste bent
dat iedereen dus maar naar jou moet luisteren.
Er komt altijd iemand die groter is.
Altijd.
Memento mori:
herinner dat je sterfelijk bent.

Maar dat besef vraagt nederigheid.
De erkenning dat je,
hoe machtig je jezelf ook waant,
altijd aan iemand verantwoording schuldig bent.
En precies daar, in die nederigheid, ontstaat vrede.

De uitspraak van Jezus ‘Mijn vrede geef ik u’ is een gewaagde belofte.
Maar we worden wel uitgenodigd haar serieus te nemen.
Niet alleen Trump, die het niet lijkt te snappen,
maar voor ons allemaal.
Want eerlijk is eerlijk:
het is een vrede die ons verstand te boven gaat.