Het lijkt erop dat Donald Trump
de bestaande wereldorde op z’n kop zet:
hij heeft – volgens hem – Venezuela overgenomen
en richt nu zijn blik nu op Groenland, Mexico
en tal van andere landen en organisaties.
Dit heeft geleid
tot veel discussie over een ‘nieuwe wereldorde’.
Oude zekerheden lijken af te brokkelen,
zowel op het gebied van
internationale betrekkingen als politieke systemen.

Met wat een ‘Donroe’-doctrine wordt genoemd,
proberen de VS controle uit te oefenen
over hun eigen continent.
Donald Trump is, vanuit het perspectief
van de internationale diplomatie,
een anarchistische figuur in de wereld,
die de oude regels aan flarden scheurt
en steeds brutaler wordt in zijn gebruik van
Amerikaanse militaire macht
om te krijgen wat hij denkt
dat goed is voor Amerika.
Tegelijkertijd wijst de toenemende
wereldwijde invloed van China,
met name de controle over onze technologie
en digitale connectiviteit
– die niet alleen onze mobiele telefoons,
maar ook defensiesystemen, infrastructuur
en industrie beïnvloedt
– op een dreigende wereldwijde machtsstrijd
tussen deze twee grootmachten,
waarbij Europa niet weet welke kant het op moet.

Tegelijkertijd stort de politiek
niet zo gemakkelijk in als nu.
Vroeger vertrouwden we op linkse partijen
die opkwamen voor de arbeiders
en rechtse partijen
die de belangen van het bedrijfsleven
en de traditionele
heersende klasse beschermden.
Tegenwoordig hebben we
onder andere Geert Wilders,
die een grote aantrekkingskracht heeft
op kiezers uit de arbeidersklasse,
en linkse partijen die zich laten leiden
door progressieve agenda’s.

Ik heb onlangs een boek gelezen
over de overgang van het heidense Romeinse rijk
naar de nieuwe, gekerstende wereld van de vroegmoderne tijd.
Toen het Romeinse rijk vanaf de vijfde eeuw
begon te desintegreren,
was de snelgroeiende christelijke kerk
uitstekend gepositioneerd
om een nieuwe beschaving op te bouwen uit de ruïnes (letterlijk)
van het heidense Rome.
Heidense tempels maakten plaats voor een nieuwe geografie
van kerken en parochies.
Er ontstond een nieuwe tijdsbeleving,
waarbij het jaar niet langer werd gevormd en gemarkeerd
door de heidense feesten uit het verleden,
maar door christelijke feesten: Kerst, Pasen, Pinksteren
en een steeds groeiend aantal heiligenfeesten.
In plaats van de chaotische mengelmoes
van religies in het heidense Rome,
bracht de vastberaden christelijke beweging
de middeleeuwse wereld voort,
waarbij geleidelijk
een nieuwe christelijke wereld uit de oude ontstond.

Dit alles voedt het idee
dat we het begin meemaken
van een soortgelijke, tijdperkbepalende periode
van culturele verandering,
een die zich eens in de paar honderd jaar voordoet.
We bewogen ons van de heidense wereld
naar het christendom.
We hadden de Reformatie, daarna de Verlichting.
Dat gaf op zijn beurt geboorte
aan de moderne seculiere,
liberale wereldorde in het Westen.
Er ontstaat iets nieuws in onze tijd,
maar we weten nog niet wat het is.

Als dit waar is,
dan is het nieuws over de ‘Stille Opwekking’
wellicht meer dan een vage opleving
in de spirituele belangstelling van Generatie Z,
maar onderdeel van iets veel, veel groters.
Je ziet ineens overal mensen die,
verre van hun geloof te verbergen,
er juist veel opener over zijn.

Zou deze culturele verschuiving voortkomen
uit de afbrokkeling van de zekerheden
van het post-verlichtingsdenken?
Want de opvatting dat wetenschap en technologie
de oplossing zijn voor al onze problemen zijn
blijken te kort te schieten;
zo ook rotsvaste geloof
in een rooskleurige toekomst.

Jongeren kunnen zich inmiddels
niet meer voorstellen
dat ze ooit een huis kunnen kopen.
Ze vragen zich af of de planeet
de impact van de enorme bevolkingsgroei
van 1 miljard in 1800 tot 8 miljard in 2025
wel zal overleven.
En hoewel ze verslaafd zijn
aan sociale media en technologie,
vinden ze die verslaving ook niet prettig
en maken ze zich zorgen
over de gevolgen voor henzelf
en hun kinderen in de toekomst.
De rooskleurige toekomst
die onze snel ontwikkelende technologie
en de val van de Berlijnse Muur beloofden,
is niet werkelijkheid geworden.
Het is dan ook niet verwonderlijk
dat mensen elders naar antwoorden zoeken.
Of zoals iemand laatst vertelde:
‘Het arrogante zelfvertrouwen
van mijn seculiere leeftijdsgenoten
is vrijwel verdwenen.’

De tijd zal het leren,
maar misschien
is de hernieuwde belangstelling
voor religie onder westerlingen
niet slechts een kortstondige opleving,
maar een teken
van een veel diepere culturele verschuiving
van het ene tijdperk naar het andere,
van het seculiere
naar het post-seculiere tijdperk.

Wat wel duidelijk lijkt,
is dat we waarschijnlijk
geen terugkeer
naar een of andere vorm van christendom
zullen zien,
niet in de laatste plaats
omdat de christelijke kerk
in het Westen niet sterk
of zelfverzekerd genoeg is
om het moment te grijpen
zoals in de vijfde eeuw.
We hebben geen equivalent
van de grote figuren
zoals Augustinus of Hiëronymus.

Wat waarschijnlijk zal ontstaan,
is geen nieuw christendom
– de christelijke kerk
en de politieke macht
gaan altijd niet goed samen,
en we hebben te veel fouten gemaakt
om er nu nog naar te verlangen –
maar een nieuw religieus
en spiritueel pluralisme;
een beetje zoals het heidendom.

Als de belangrijkste trend
niet de terugkeer
van het christendom is,
maar de achteruitgang
van het secularisme,
dan betekent dit dat
we niet terugkeren naar de Middeleeuwen,
toen het christendom
de samenleving domineerde.
In plaats daarvan lijkt het
opkomende spirituele landschap
meer op dat van de late oudheid:
een uitgestrekte marktplaats
van geloofsovertuigingen,
culten en eclectische spirituele praktijken,
die elk beloven een ooit onttoverd tijdperk
opnieuw te betoveren.

De vraag is of de kerk
de uitdaging van het verwarrende tijdperk
die we op het punt staan te betreden, aankan.
Als ze simpelweg de vermoeide tonen
van links-liberalen napraat,
of zelfs de schelle tonen
van rechts-boze mensen,
en zichzelf ziet
als een zoveelste
politieke actor of lobbygroep
die probeert macht te verwerven
in de nieuwe wereldorde,
dán zal ze deze kans missen.
Kan ze iets van het vertrouwen
in haar eigen boodschap,
haar eigen spirituele dynamiek herwinnen
die de stervende heidense wereld
1500 jaar geleden bekeerde?
Zo ja, dan belooft de toekomst
interessant te worden.

de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971 

 

Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa.
Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich,
terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait.
Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen.
En jongeren – maar zij niet alleen –
verliezen hun vertrouwen in de democratie.

Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis,
of zelfs een politieke of een identiteit of etnische.
Het is eerder een spirituele crisis.
En als je er met deze bril op naar kijkt,
zie je overal de tekenen ervan.

Zoals afgelopen zomer
toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken,
een nationale militaire opbouw aankondigde,
met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera.
Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd
door de algemene Noord-Europese angst
voor het expansionistische Rusland.
Kort daarna sprak ze een groep studenten
van de Universiteit van Aalborg toe
waar ze iedereen verraste door te zeggen:

‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben
die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’

Ze sprak over het onderscheidingsvermogen
dat nodig is om waarheid van onwaarheid
te onderscheiden in een wereld
waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn
en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist,
niet meer technologie.
Herinvoering van de dienstplicht is één ding,
maar mensen overtuigen om te vechten
en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders.
Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken.
Waarom zou Generatie Z vechten
voor een economisch systeem
dat niet in hun voordeel lijkt te werken,
hen geen uitzicht biedt
op een eigen huis of een vaste baan,
en weinig te bieden heeft
om tot heldendom te inspireren?
John Lennon stelde zich een wereld voor
met ‘niets om voor te doden of te sterven’.
Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven,
is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.

De oproep van Frederiksen
is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa.
Een ander is de opkomst
van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd.
Elites mogen dan neerkijken
op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen,
maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen
die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert
en die het verlies betreuren
van het culturele en breed christelijke kader
dat, in de herinnering van vorige generaties,
eeuwenlang het besturingssysteem
van het Nederlandse leven vormde.
Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig
en het gebrek aan iets om het te vervangen,
vormen een probleem.
Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme,
gericht op het vernietigen van het geloof,
maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.

Een andere is wat wel de Stille Opwekking wordt genoemd:
tekenen van hernieuwd kerkbezoek
onder (vooral) jonge mensen.
Oplevingen van religie vinden meestal plaats
wanneer een gemeenschap voelt
dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd.
In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels,
naar beschikbare bronnen
van wijsheid en geruststelling.
Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’,
maar het is veeleer een teken
van een verlangen
naar een spirituele betekenis,
naar iets heiligs,
iets dat niet voor geld te koop is
en een waarde heeft
die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.

Dus, terug naar verrassende oproep
tot spirituele vernieuwing
van Mette Frederiksen,
in haar eigen land.
Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa,
Nee, Frederiksen staat niet bekend
als een regelmatige kerkganger
en haar sociaaldemocratische partij
is de afgelopen decennia
stond over het algemeen
lauw tegenover religie.
Toch was ze eerlijk genoeg
om het probleem te erkennen.
Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden
dat de waarheid niet bestaat,
is het niet verwonderlijk
dat we het moeilijk vinden
om waarheid van onwaarheid te onderscheiden.
Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd
dat de belangrijkste stem
om naar te luisteren
onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ –
is het niet verwonderlijk
dat we geen idealen meer hebben
om ergens voor te leven of te sterven.
Jongeren gaan misschien de straat op
vanwege klimaatverandering of Palestina,
maar zijn ze bereid
hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs,
dat dat alles te boven gaat,
zelfs als het hun beschaving
al generaties lang in stand houdt?

Waarschijnlijk niet.
En er is geen reden om te denken
dat Denemarken anders is
dan welk ander Europees land dan ook.
Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland,
ook al zijn onze politici
niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen
in het signaleren van het probleem.

Dus waar is het antwoord te vinden?
Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:

Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken,
omdat die een natuurlijke gemeenschap
en een nationale basis biedt…
Als ik de Kerk was, zou ik nu denken:
hoe kunnen we zowel een spiritueel
als een fysiek raamwerk zijn
voor wat de Denen doormaken?

Maar daarin schuilt nu juist het probleem.
De Deense Kerk,
één van de lutherse kerken in Noord-Europa,
verkeert niet bepaald in een goede gezondheid:
70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk,
maar slechts 2,4 procent van hen
komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk
– wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers
in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.

Filosoof John Gray
is vernietigend over de gevangenschap
van de westerse kerken in de tijdgeest.
Hij beschouwt ze als
een weerspiegeling van de verwarring
van de tijdgeest
in plaats van een coherent alternatief te bieden…
dit soort christendom
is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’

Dat is misschien wel het probleem,
maar het is ook de kans.
Het christendom is de standaard spirituele traditie
van het Westen.
Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit.
Anderen komen en gaan,
maar dit geloof zit in onze aderen,
in ons landschap, onze kunst en ons geheugen.
Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen,
heeft het talloze mensen geïnspireerd
tot een leven van onbaatzuchtige toewijding.
Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk
verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk,
toen een nieuwe middeleeuwse,
gekerstende beschaving ontstond
uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen,
of tijdens de hervormingsbewegingen
van de zestiende en zeventiende eeuw,
of tijdens de missionaire bewegingen
van de negentiende eeuw.
Keer op keer is het een katalysator gebleken
voor wijsheid om de uitdagingen
van de crisis het hoofd te bieden,
voor individuele zelfopoffering,
culturele vernieuwing
en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling:
iets om voor te leven en te sterven.

En dat is nog steeds zo.
Je hoeft alleen maar terug te denken
aan de 21 Libische martelaren
– voornamelijk gewone Koptische christenen
uit een eenvoudig dorp
die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen
en die een gruwelijke dood verkozen
in plaats van hun geloof
in de liefde van Christus te verloochenen,
om te laten zien
hoe het christelijk geloof 
iets biedt niet om voor te doden,
maar wel om voor te sterven.

Ik twijfel er niet aan
dat het christendom dat opnieuw kan bieden.
Niet als een terugkeer
naar iets uit het verleden,
maar in een nieuwe vorm
die trouw blijft aan zijn wortels,
maar op een manier
die er nieuw uitziet;
misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.

Kunnen christenen,
zoals John Gray het verwoordde,
een coherent alternatief bieden
voor de verwarring van de tijdgeest
in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?

De toekomst,
niet alleen van het Europese christendom,
maar ook van Europa,
hangt er mogelijk van af.

projectie in Londen, 2025

 

Welke kant je ook kiest
in het Israël-Gazaconflict;
de verhalen die je hoort en leest
kunnen niet anders
dan een gevoel van wanhoop oproepen.
Beelden van uitgehongerde kinderen,
het lot van Joodse gijzelaars die nog steeds in het duister gehuld zijn;
hoe dan ook, dit blijft een plek van onvoorstelbaar lijden.
En ondertussen blijven de bommen vallen,
sterven er mensen en behoudt Hamas zijn macht.

Onder Israëls vrienden gonzen stemmen
van een radicale oplossing voor het probleem van Gaza.
Het plan van Donald Trump
was om het gebied met de grond gelijk te maken,
50 miljoen ton puin te verplaatsen
en de bevolking te verplaatsen naar buurlanden
om de ‘Riviera van het Midden-Oosten’
te bouwen in wat tot nu toe Gaza was.
Het plan werd misschien met enige hilariteit ontvangen
toen de video werd uitgezonden,
maar het gaf velen in Israël
de kans om soortgelijke gedachten te koesteren.

Laten we als voorbeeld
de Israëlische minister
Bezalel Smotrich van Financiën nemen:
Hij beweerde onlangs dat na de Israëlische operatie
Gaza volledig verwoest zal worden’
en dat de Palestijnse bevolking
‘in groten getale naar derde landen zal vertrekken’.

Velen in Israël lijken te denken dat de koppige,
door Hamas geteisterde vijand
die naast hen woont, uitgeroeid moet worden.
Vanuit het perspectief van een bevolking
die decennialang conflict beu is,
die vreest dat er nooit vrede zal komen
zolang Hamas in Gaza blijft,
en die zich realiseert hoe moeilijk het is
om de islamitische terreurgroep uit te schakelen
terwijl de Palestijnse bevolking daar blijft,
kun je de aantrekkingskracht
van deze radicale oplossing begrijpen.

De Israëliërs hebben echter misschien
goede redenen om voorzichtig te zijn.
En dat is geen advies van hun tegenstanders,
maar van hun eigen geschiedenis.

Begin jaren 130 na Christus
werd de andere kant op geschoven.
Het was het machtige, ‘heidense’ Romeinse Rijk
dat heerste over hetzelfde stuk land,
dat ze al snel Palestina zouden noemen.
Joden vormden een minderheid,
maar ze grepen terug
naar hun lange wortels in het land,
de tijd van Jozua en koning David,
en zelfs recenter
naar het Joodse koninkrijk van de Hasmoneeën zo’n 200 jaar eerder.
Dat was de laatste keer vóór de moderne staat Israël
dat Joden de controle over het land hadden.

De toenmalige keizer Hadrianus samen met zijn gevolg
door Jeruzalem trok in 130 na Christus.
Hij begon de stad te ‘ontjoodsen’
en richtte standbeelden op van goden en keizers,
die allemaal aanstootgevend waren voor de Joodse gevoeligheden.
De smeulende wrok barstte al snel los
met een opstand onder leiding
van een felle en vastberaden Joodse strijder, Bar Kochba.
Dit was de tweede Joodse opstand
na de eerdere in de jaren 60,
die had geleid tot de verwoesting
van de grote Joodse Tempel in Jeruzalem
door Titus, onder het bewind
van keizer Vespasianus in 70 na Christus.
Voor de Romeinen was één opstand
misschien nog net te tolereren,
maar twee was te veel.

Hadrianus kwam vervolgens tot dezelfde conclusie
als Bezalel Smotrich:
een opstandig gebied moest van de kaart worden geveegd,
hoewel dit keer Jeruzalem moest worden geëlimineerd, niet Gaza.
De Joodse bevolking zou verspreid worden,
de naam zou worden uitgewist
en herinneringen aan vervlogen glorie
zouden voorgoed worden begraven.

En zo kwamen in 135 na Christus de ‘bulldozers’.
Jeruzalem werd feitelijk met de grond gelijk gemaakt
en op de ruïnes ervan werd
een Romeinse stad gebouwd:
Aelia Capitolina was de nieuwe naam,
een kleinere stad dan het oorspronkelijke Jeruzalem,
maar decadent gebouwd rond de verering
van Griekse en Romeinse goden,
met prachtige poorten, heidense tempels,
een klassiek ‘Romeins’ Forum Romanum
en uitgestrekte straten met zuilen.
Niet bepaald de Rivièra van het Midden-Oosten,
maar misschien wel Las Vegas.
‘Jeruzalem’ werd van de kaart geveegd.

In het midden van de heilige Joodse Tempelberg
richtte Hadrianus een standbeeld van zichzelf op.
Hij plaatste opzettelijk een standbeeld
van Aphrodite op de plek waar de vroege christenen
beweerden dat de dood en opstanding
van Jezus hadden plaatsgevonden:
de plaats waar nu de Heilig Grafkerk staat.
Besnijdenis werd verboden,
veel Joden werden vermoord
en de overgeblevenen werden
uit de stad verbannen
en verspreid over alle plekken
waar ze maar onderdak konden vinden.
Sterker nog, de kaart van de Oude Stad van Jeruzalem
wordt vandaag de dag nog steeds gekenmerkt
door dit ontwerp,
met de twee belangrijkste straten van Hadrianus
die ten zuiden van de Damascuspoort afbuigen,
met archeologische overblijfselen
van de Romeinse stad
die nog steeds zichtbaar zijn voor bezoekers.

Maar natuurlijk werkte dit verdonkeremanen niet:
Niemand noemt het tegenwoordig nog Aelia.
De gehechtheid van mensen aan land gaat diep.
De Joden konden hun wortels
in dit stukje aarde niet vergeten.
Zoals de schrijver Simon Sebag Montefiore
het verwoordde in zijn boek ‘Jeruzalem‘:
‘Het Joodse verlangen naar Jeruzalem wankelde nooit’.
De Joden baden drie keer per dag
gedurende de volgende eeuwen:
‘Moge het Uw wil zijn
dat de tempel spoedig
in onze dagen herbouwd wordt.’

De Palestijnse gehechtheid aan land is net zo sterk.
Bijna 80 jaar na de oprichting
van de staat Israël in 1948
klampen families zich nog steeds vast
aan de sleutels van hun huis
die hen in die traumatische periode
zijn afgenomen.
Net als het Joodse verlangen naar Jeruzalem,
hebben ook zij, net als mensen over de hele wereld,
een diepe verbondenheid met hun voorouderlijke land,
dat teruggaat tot de ‘Arabieren’
die genoemd worden in het boek Handelingen,
tot wie Petrus predikte (Handelingen 2,11-12)
in de begindagen van de christelijke kerk.

Besluiten van verre heersers zoals keizer Hadrianus
of president Trump
lijken misschien nette oplossingen
voor hardnekkige problemen.
Maar ze werken zelden op de lange termijn.

De beroemde Bijbelse aansporing
‘oog om oog, tand om tand’
was niet bedoeld als aanmoediging tot geweld,
maar juist het tegenovergestelde.
Het was bedoeld om een grens te stellen
aan de ontwikkeling van bloedwraak,
die, uit woede en trauma,
zo gemakkelijk tot onevenredige reacties
en eindeloze vetes kon leiden.
Paulus schreef in Romeinen 12:
Beste vrienden, neem geen wraak op anderen.
Laat het straffen over aan God.
Want in de heilige boeken zegt God:
“Ik ben het die straft. Ik geef ieder mens wat hij verdient.”’.
Zo herinnerde hij zich een oude Joodse wijsheid
die grenzen stelde aan het menselijk vermogen
om hardnekkige problemen met geweld op te lossen.
Hij kende een betere manier:
‘Laat u niet overwinnen door het kwade,
maar overwin het kwade door het goede.’

Eigenlijk zijn er maar vier manieren
om om te gaan met buren
die lastig blijken te zijn:
je kunt proberen ze te controleren, ze te laten vluchten,
je kunt ze doden, of je kunt politiek bedrijven.

De drie eerste manieren
zijn echter geen begaanbare weg
De enige manier is het conflict
via de politieke manier
op te lossen.
Met andere woorden,
probeer een vorm van gemeenschappelijk leven
te bewerkstelligen,
zoals dat uiteindelijk gebeurde in Noord-Ierland, Zuid-Afrika
en zoveel andere plaatsen waar langdurige conflicten heersen.

Politiek, het leren samenleven over verschillen heen,
is rommelig, ingewikkeld en is hard werken.
Vooral wanneer er diepe pijn uit het verleden is.
Maar zoals het mislukken
van Hadrianus’ radicale oplossing aantoont,
is er op de lange termijn geen echt ander alternatief.

 

Het was destijds premier Mark Rutte die Nederland vergeleek met een broos vaasje.
‘Want’ zo zei hij ‘wat we samen hebben opgebouwd is heel breekbaar.
Laten we het goed beschermen!’
Hij had het destijds over de toenemende polarisatie in Nederland.
Ik wil de metafoor gebruiken voor de democratie.
Want die staat mijns inziens ook onder druk, 
zowel nationaal als internationaal.

Geruchten dat Donald Trump de Amerikaanse grondwet
zou kunnen opschorten
om een derde termijn als president na te streven,
en nog duisterdere dreigingen
dat zijn regime zelfs autocratische ambities
zou kunnen koesteren,
hebben het Westen eraan herinnerd
dat we democratie
niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen.

Parlementaire democratie,
zo hebben we algemeen aangenomen,
is een goede zaak.
Ze is zo goed dat we haar niet alleen willen delen,
maar ook aan andere landen wilden opleggen.
De oorlog in Irak uit 2003, bijvoorbeeld
werd, zo werd ons verteld,
uitgevochten voor vrijheid en democratie,
maar zo liep het niet helemaal.

Met democratie bedoelen we meestal politieke verantwoording,
waarbij regeringspartijen macht uitoefenen
via de wil van de bevolking die ze dienen,
uitgedrukt in regelmatige volksraadplegingen
die ervoor zorgen
dat niemand zich ongestraft
aan de macht kan vastklampen.

Het Trump-fenomeen begint echter te wijzen
op het vooruitzicht van een volkswil
die een regeringsvorm bepleit
die niet overeenkomt
met onze gebruikelijke liberale uitgangspunten.
Er klinken stemmen,
waaronder die van schrijfster Margaret Atwood,
die een opschorting van de Amerikaanse democratie verwachten
als gevolg van de waanzin van de huidige president.

De meesten van ons in Nederland
zullen waarschijnlijk zeggen
dat democratie meer moet zijn dan een systeem
waarin meerderheden hun zin krijgen.
Want we willen ook dat onze regering
zich aan de wet houdt.
En dan moeten we niet alleen beslissen welke wet,
maar ook wiens wet.
Voor degenen met een religieuze overtuiging
zal die vraag deels en in belangrijke mate
beantwoord worden door Gods wet,
waarop de westerse beschaving
aantoonbaar is gebouwd.

Hier komt pluralisme om de hoek kijken,
zonder welke een democratie niet effectief kan functioneren.
Want een staat is een verzameling politieke en burgerlijke gemeenschappen,
waarin alle individuen rechten en plichten hebben, die wettelijk beschermd zijn.

Dit model is gebaseerd op de Romeinse wetgevende macht,
die sterk gecentraliseerd was
en systematisch wantrouwend stond tegenover verenigingen,
wat de reden was waarom vroege christenen eronder werden vervolgd.
De val van dat rijk liet een juridisch vacuüm achter,
waarin natiestaten en de vroegmiddeleeuwse kerk terechtkwamen.

Het was dit laatste staatsorgaan dat de basisprincipes van het Romeinse recht erfde,
gecentraliseerd, universeel en soeverein, onder de paus.
En het is dat orgaan dat in conclaaf bijeen is om een nieuwe paus te kiezen.
Die verkiezing democratisch noemen is meer dan overdreven,
omdat de demos, de gewone mensen,
er niet bij betrokken zijn
en ook niet vertegenwoordigd zijn.

De Kerk is geen democratie,
net zomin als God verantwoording schuldig is aan zijn schepping.
Eerder andersom
– sommige denominaties spreken van ‘Gods uitverkorenen’,
degenen die Hij kiest voor verlossing.
In het christelijk denken is God een dienende koning,
maar desalniettemin een absolute en,
zoals sommigen die zich tegen God verzetten,
een tirannieke autoriteit.

Hoe moeten we reageren op een ondemocratische Godheid?
Een antwoord daarop zou gevonden kunnen worden
in dat pluralistische kenmerk van democratie.
We zijn er eerlijk gezegd niet goed in
om pluralisme in onze geloofssystemen te erkennen.
Op zijn best opereren we in een soort absoluut duopolie
– je gelooft, of je gelooft niet.
Een pluralistisch model zou er een zijn
waarin we de goddelijke wil leren kennen
via de gehele schepping,
alle uitingen van geloof en ongeloof,
in plaats van alleen via onze eigen wil.

Pluralisme is gezond,
zowel in de seculiere politiek
als in religieuze gebruiken.
Het is de tegenpool van de groeiende autocratie
zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika
en geeft een stem aan een scala aan wereldbeelden.

Dit is geen pleidooi voor theocratie,
maar de overtuiging dat de christelijke traditie
berust op het principe dat geen enkele politieke orde
de autoriteit van God kan claimen,
behalve het Lichaam van Christus.
En het Lichaam van Christus omvat alle leden van het menselijk ras.
In tegenstelling tot politieke partijen
concurreren wij niet om de macht,
maar vormen wij een gemeenschap
die wijst naar een geredde en genezen wereld.

De keuze is hier tussen een soort seculier burgerschap,
een vorm van multiculturalisme
dat een akkoord sluit tussen verschillende gemeenschappen
op basis van universeel verlichte principes.
Of we kunnen reageren op de energie
waarop die seculiere utopie gegrondvest zou kunnen worden,
door bereidwillige gemeenschappen te bouwen
die streven naar wereldwijde rechtvaardigheid en vrede.
Dat is een missie van de Kerk op het gebied van diversiteit.

Het gaat dus minder om democratie dan om pluralisme.
En dat pluralisme moet een herkenbaar kenmerk worden van de gelovigen,
wat het historisch gezien maar al te vaak niet is geweest.
We kunnen alleen maar hopen en bidden
dat het een missie wordt die ook centraal staat
in de beraadslagingen die de komende dagen
zullen leiden tot een witte rookpluim uit de Sixtijnse Kapel.

 

Door de nauwe straten van Jeruzalem wringt zich een groep Romeinse soldaten.
Ze begeleiden drie veroordeelden die vandaag nog gekruisigd zullen worden.
Twee naamloze misdadigers en een zekere Jezus,
die zichzelf heeft laten ‘kronen’ tot koning van de Joden.
Aangekomen op de plek die Schedelplaats – die Golgotha heet …
doen zij hun werk.
Met touwen en grote draadnagels
maken ze de drie veroordeelden vast aan hun kruis.
Wat kan het hen ook schelen.
‘Bevel is bevel’.
En als dank voor de door hen verleende diensten
verdelen zij de kleren van de kruiselingen.
Eén is er zo gelukkig om het naadloos geweven kleed van Jezus te winnen.
Wat zou hij er mee gedaan hebben?

Golgotha, Schedelplaats.
Die naam had deze heuvel vermoedelijk te danken aan zijn vorm.
Volgens een oude Joodse legende was hier
– na de zondvloed – de schedel van Adam begraven.
Adam, de eerste mens, die in opstand was gekomen tegen God.
God had hem daarom verbannen uit het paradijs.
Op deze plaats – even buiten de muren van de stad Jeruzalem –
waar men aannam dat de schedel van de eerste mens begraven was,
opent Jezus, de tweede Adam, weer de toegang tot het paradijs.
Aan weerszijden van de gekruisigde Jezus hangen twee misdadigers.
Het zijn Zeloten. In Jezus’ tijd Sikariërs genoemd. Dolk-mannen.
Zij hoorden tot een groep van ondergrondse verzetsstrijders
die met hun messen en dolken alles wat Romeins of Romeins-gezind was …
van het leven probeerden te beroven.
Zij vochten voor een koninkrijk zonder de gehate Romeinen:
een paradijs op aarde.
Daarom werden zij door hun Joodse volksgenoten op handen gedragen.
Bar-Abbas was hun populaire leider.
Wanneer het gebeurd is vertelt de evangelist Lucas ons niet,
maar de ogen en het hart van één van deze beide misdadigers
zijn opengegaan voor Wie Jezus is.
Hij heeft begrepen dat Jezus hier onschuldig aan zijn kruis hangt.
Hij heeft gezien hoe Jezus aan het kruis
de plaats ingenomen heeft van Barabbas, hun aanvoerder.
Hij heeft geluisterd naar de woorden van Jezus:
de messias, de koning van de Joden.
Daarom verdedigt hij Jezus tegenover zijn collega:
‘Wij worden terecht gestraft:
het is ons verdiende loon.
Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’(Lucas 23: 41)
En hij voegt eraan toe:
‘Jezus, denk aan mij wanneer U in uw koninkrijk komt.’ (Lucas 23: 42)
Hij gelooft het! Hij gelooft in de koninklijke macht van Jezus!
Hij gelooft dat Jezus de werkelijke Verlosser, de langverwachte Bevrijder is.
Hij gelooft dat met Jezus het koninkrijk op aarde komt!
En dat is zonder meer een wonder.
Want menselijkerwijs gezien is het een dwaasheid
om nog iets van Jezus te verwachten.
Ten dode opgeschreven is Hij.
Nu kende men in de tijd van Jezus
drie betekenissen van het woord ‘paradijs’:
• het verloren paradijs van Adam – de eerste mens – uit Genesis.
• Dan was er het paradijs van de eindtijd
(denk maar aan het Bijbelboek Openbaring).
• En tenslotte kende men het paradijs
als de plaats waar de gestorven gelovigen verblijven.

In die laatste betekenis gebruikt Jezus nu aan het kruis het woord ‘paradijs’.
Het is de plaats van het eeuwige leven
tegenover de plaats van de eeuwige dood in de Gehenna, de hel.
Bewogen als Hij is met deze tot geloof gekomen misdadiger
belooft de gekruisigde Jezus hem zelfs meer dan hij vraagt.
Jezus zal niet alleen dénken aan hem,
Jezus zal bíj hem zijn, en hij bij Jezus.

Heden, vandaag nog!
Zelfs de dood kan hen niet meer van elkaar scheiden.
Zo ontvangt deze vrijheidsstrijder in zijn stervensuur … het Léven!

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Het zijn bewogen woorden. Woorden die ons in beweging zetten.
Want dat koninkrijk, dat paradijs dat door Adam was verloren geraakt,
wordt hier aan het kruis ook voor ons door Jezus weer ontsloten.
Wie berouw toont, zijn schuld erkent en onvoorwaardelijk in Jezus
als zijn Redder gelooft … mag met Hem mee naar binnen.
Die mag voor eeuwig leven in het ‘paradijs’.
Het kruis van Jezus is voor ons de ‘boom van het Leven’ geworden.

Dat is het geheim van dit tweede bewogen kruiswoord!

Na jaren van gepolariseerde politiek,
nepotisme van eerdere heersers
en betwiste machtsclaims,
gelooft een onvoorspelbare en egoïstische leider
dat God hem heeft gered om de natie weer groot te maken.
Hij wordt geprezen als de machtigste leider ter wereld
en verrast iedereen onmiddellijk door een reeks
ontwrichtende nieuwe maatregelen uit te vaardigen
om de manier waarop de maatschappij functioneert
radicaal te veranderen
en kondigt aan dat hij antichristelijke vooroordelen
in de maatschappij gaat aanpakken.

Komt dit je bekend voor?

Nee, het is niet Donald Trump.
Het is de vierde-eeuwse heerser van het Romeinse Rijk
genaamd Constantijn de Grote.
En de parallellen zijn opvallend.

Constantijn, de zoon van een Romeinse generaal
en een Balkan-barvrouw,
was de eerste christelijke Romeinse keizer.
Voor die tijd waren alle keizers heidenen
die de Griekse en Romeinse goden aanbaden.
Begin 300 na Christus luidde keizer Diocletianus
een periode van intense vervolging van christenen in,
gericht op het onderdrukken van hun subversieve invloed.
Nadat het was gaan liggen en na jaren
van politieke strijd binnen het rijk,
marcheerde Constantijn naar de hoofdstad
en versloeg zijn vijand Maxentius
in de slag bij de Milvische brug buiten Rome.
Vlak voor de slag had Constantijn
een droom waarin hij een teken zag
van iets dat leek op een kruis in de lucht,
met de spreuk ‘in dit teken zult gij overwinnen’.
Vanaf dat moment geloofde hij
dat God hem had uitgekozen voor dit directe doel:
vrede brengen in het rijk door zijn vijanden,
intern en extern,
en het te veroveren onder de vlag van het christendom.

Na zijn troonsbestijging
introduceerde Constantijn, net als Trump,
nieuwe economische beleidsmaatregelen
om de woekerende inflatie terug te draaien,
hij herstructureerde de overheid
en versterkte hij de militaire capaciteit
om de vijanden van het rijk af te schrikken.
Hij begon ook privileges te geven
aan de tot nu toe vervolgde christenen.
Het heidendom, de ‘officiële’ religie van het rijk,
werd steeds meer naar de tweede plaats verwezen.
Kerken kregen land om nieuwe gebouwen op te bouwen
en bijeenkomsten van christelijke leiders werden alledaags,
waarvan hij er een aantal voorzat,
zoals het Concilie van Nicea 
dat plaatsvond in 325 na Christus,
1700 jaar geleden dit jaar.
(Zie hiervoor ook:
https://slothouber.wordpress.com/2025/01/04/ik-geloof/)
Christelijke geestelijken werden vrijgesteld
van openbare taken om zich zo
aan hun gebeden te kunnen wijden.
Kruisiging werd afgeschaft als vorm van executie.
Zondag werd een wekelijkse vrije dag,
heidense praktijken in het openbaar werden verboden.

Historici hebben jarenlang gedebatteerd
over Constantijns motivatie.
Was hij een oprechte christen,
die het geloof wilde bevorderen
door de kerk een goede kans te geven
om het rijk te bekeren?
Was hij een zegen voor de kerk
door haar te bevrijden van de last van vervolging?
Zeker, in die tijd waren veel christenen opgetogen
en genoten ze van hun nieuwe privileges
en toegang tot het keizerlijk hof
net als de predikanten
die werden uitgenodigd in het Witte Huis.
Eusebius, de grote historicus van de vroege kerk,
schreef:
‘in elke stad publiceerde de zegevierende keizer
decreten vol menselijkheid
en wetten die het bewijs leverden
van vrijgevigheid en ware vroomheid.
Alle tirannie was weggezuiverd.’
Het zou de stem van een van de predikanten
kunnen zijn die Trump adoreren.

Aan de andere kant was Constantijn opvliegend,
onvoorspelbaar en wraakzuchtig.
Hij liet zijn tweede vrouw, drie zwagers,
zijn oudste zoon en zijn schoonvader executeren.

Zijn ijdelheid strekte zich uit tot het hernoemen
naar zichzelf
van de oude stad Byzantium,
– die net de hoofdstad van het rijk was geworden –
als Constantinopel.
Gebruikte hij cynisch de groeiende culturele kracht
van het christendom om eenheid te brengen
in een verdeeld en fragmenterend rijk?
Sommige historici suggereren dat hij hiermee
de aard van het christendom fataal veranderde.
Constantijn was precies het soort militaire messias
dat de Joden uit de eerste eeuw hadden verwacht,
maar toch een totaal andere dan de gekruisigde rabbi uit Nazareth.

Welke van de twee is het? Het is moeilijk te zeggen.
Zeker, hij bevorderde het christelijk geloof
en gaf het nieuwe vrijheden.
Maar hoewel hij het Concilie van Nicea voorzat,
met het beroemde decreet
dat Christus dezelfde natuur had als God de Vader,
wordt Jezus in Constantijns religie nauwelijks genoemd.
Soms lijkt hij zichzelf te hebben gezien
als de Verlosser van de Kerk
in plaats van Christus,
met het keerpunt van de geschiedenis
niet in de eerste eeuw
met de overwinning op zonde en dood
door de opstanding van Jezus,
maar in de vierde eeuw
met zijn eigen overwinning op Maxentius.

Voor sommige historici was de christelijke kerk
oorspronkelijk een tegenculturele beweging,
die een radicaal nieuwe visie op het leven bood,
waarbij de armen boven de rijken,
de zwakken boven de machtigen werden bevoordeeld,
gecentreerd rond de gekruisigde Jezus.
Na Constantijn werd het christendom gecentreerd
rond een majestueuze heerser
van de hemelen en de aarde.
Christus de Pantocrator, de ‘albeheerser’
het beeld van Christus in glorie
dat in orthodoxe kerken
over de hele wereld te vinden is,
verving afbeeldingen van Christus aan het kruis.
Zij beweren dat dit niet het geval was
doordat Constantijn
naar het beeld van Christus werd gevormd,
maar dat Christus aangepast werd
aan het beeld van Constantijn.

De overeenkomsten van Constantijn met Donald Trump
zullen duidelijk zijn,
ook al zullen verschillende lezers
verschillen in hoe ze de mate van gelijkenis zien.
Ze waren beiden voorstander van het christendom,
ook al is hun eigen persoonlijke geloof
moeilijk vast te stellen.
Ze kunnen allebei meedogenloos en wraakzuchtig zijn
tegenover degenen die hen dwarszitten.
Ze zijn niet bang om het bestaande wetten en regels te verscheuren,
geldende waarden en normen te verlaten
en nieuwe beleidslijnen aan te nemen
die de gevestigde orde opschudden.

Dus, wat zou het verhaal van Constantijn
ons kunnen vertellen
als we de wederkomst van Donald Trump overwegen?

Veel christenen verheugden zich over Trumps herverkiezing.
Bij zijn inauguratie verklaarde Franklin Graham,
Amerikaans evangelist, een van de voormannen van religieus rechts
en fervent medestander van Trump,
net als Eusebius vele eeuwen eerder,
dat God de nieuwe president had ‘opgewekt’.
Trump zelf beweerde dat God hem had gered
door de moordaanslag van vorig jaar
om Amerika weer groot te maken.
Anderen zien het als een ramp,
en zien een heerser
met een dubieus karakter
die totaal niet op Jezus lijkt.

Constantijn was, per saldo, een gemengde zegen voor de kerk.
Zijn heerschappij stelde de kerk in staat om te floreren.
Het gaf het een positie binnen de maatschappij
die een netwerk van kerken, parochies en bisdommen
mogelijk maakte die hielpen
om zijn boodschap wijd en zijd te verspreiden.
Het was ongetwijfeld makkelijker
om christen te zijn en te worden onder Constantijn
dan onder zijn antichristelijke voorgangers.
Maar tegelijkertijd veranderde hij subtiel
de vorm van het christendom
en maakte de kerk het geloof van de machtigen,
ook al heeft het christendom altijd meer gefloreerd
onder de armen en die weten dat ze hulp nodig hebben.

De kerk onder Trump
is misschien blij met wetten en culturele bewegingen
die het makkelijker maken om hun geloof
te beoefenen en te promoten.
Maar het gevaar om de visie van de kerk
op leiderschap en heerschappij
te laten bepalen door Donald Trump
in plaats van Jezus Christus,
blijft bestaan.

In de jaren van de regering van Constantijn,
terwijl het optimaal gebruik maakte
van de kansen die een nieuw gekerstend rijk bood,
had de kerk ook figuren nodig als Ambrosius,
de vierde-eeuwse bisschop van Milaan
die bereid was keizer Theodosius
uit de kerk te weren
toen hij misdaden beging in naam van het rijk.
Er was ook het radicale christendom nodig
van de woestijnvaders en -moeders
die zich terugtrokken op afgelegen plekken
om te bidden
en een radicaal alternatieve levensstijl te leiden
dan het steeds gemakkelijke christendom
van het stadsleven.

Sommige christenen zijn misschien blij
met de kansen die een Trumpiaanse wereld
zou kunnen bieden.
Maar ze moeten voorzichtig zijn met wat ze wensen.
Volgelingen van de gekruisigde rabbi uit Nazareth
moeten oppassen dat ze hun wagen
niet aan één politieke leider aanhaken.
Er is tenslotte maar één Messias.

 

Vandaag is het Valentijnsdag:
hét grote westerse feest van de ‘romantiek’, de ‘liefde’ de ‘geliefden’.

Maar wiens dag is dit nu?

Valentijn, of Valentinus, was een martelaar uit de derde eeuw.
Sommige legendes beweren dat zijn geloof
op de proef werd gesteld door een plaatselijke rechter,
die zijn blinde dochter voor Valentijn bracht
en eiste dat hij haar zou genezen.
Dat deed hij.
De rechter en zijn hele huishouden
namen afstand van hun heidense afgoden en werden gedoopt.
Dit – in sommige ogen – schandalige incident, en verdere hinderlijke evangelisatie,
leidde ertoe dat keizer Claudius beval dat Valentijn werd geëxecuteerd.
Een andere legende beweert dat hij een Romeinse priester was
die keizerlijke bevelen trotseerde
en in het geheim met Romeinse soldaten trouwde
volgens een christelijke ritueel,
waardoor de soldaten aan verdere dienstplicht konden ontkomen.

Ik neem aan dat deze laatste legende ertoe heeft geleid
dat Valentijn werd aangenomen als beschermheilige
van hartvormige chocolaatjes – dat en het middeleeuwse idee
dat de vogels midden februari zouden paren.

Hoe dan ook, ik ben niet geïnteresseerd in de legendes over Valentijn,
hoe vermakelijk ze ook zijn.
Het maakt me niet uit of hij in het geheim koppels trouwde,
of blinden genas, of een vroege dating-app voor vogels pitchte.

Hij was een martelaar.

Martelaarschap is een concept
waar we tegenwoordig niet meer zo bekend mee zijn.
Oké , het is nog steeds een woord in de volksmond:
We noemen mensen een ‘echte martelaar’
als ze zichzelf straffen door werk te doen
dat niemand van hen verwacht of wil.
We noemen iemand een ‘martelaar voor de zaak’
als ze zichzelf vastlijmen op een snelweg,
of worden gearresteerd voor het vernielen
van een schilderij met soep.
Dit is géén martelaarschap.

Het ware martelaarschap is een daad van romantisch verlangen.
Het ware martelaarschap is een daad van liefde!

Een van de vroegste verslagen van christelijk martelaarschap
komt van Ignatius, de bisschop van Antiochië.
Ergens halverwege de tweede eeuw werd hij ter dood veroordeeld
en onder bewaking naar Rome vervoerd.
Tijdens zijn reis schreef hij brieven
aan verschillende christelijke gemeenschappen,
waaronder een aan de kerk in Rome.
Het verslag van het martelaarschap in deze brief
is zowel verbazingwekkend mooi
als de sleutel tot het begrijpen van het martelaarschap.
Hij schrijft deels om de christenen van Rome te smeken
hem niet te redden van zijn lot,
noch door geweld noch door omkoping.

Hij wenst zijn martelaarschap en legt uit
waarom. Hij schrijft dat hij in dit lijden
‘…een discipel begint te worden.’
Hij vergelijkt zijn ongelukkige situatie
met de ‘weeën’ die hem nu overkomen
en doet dan een opmerkelijke bewering:
hij staat niet op het punt te sterven,
maar staat op het punt echt te leven!

‘Geef mij dit, broeders:
weerhoud mij niet van het leven; wens niet dat ik sterf…
Laat mij het zuivere licht ontvangen;
als ik daar ben aangekomen, zal ik een mens zijn.’

Sommigen die alleen de vreselijke, pijnlijke, grijpende aard
van het martelaarschap kunnen zien –
en het is een zegen dat we leven in een tijdperk
en een land waar we elkaar niet doden vanwege ons geloof –
hebben gesuggereerd dat Ignatius
óf een showman óf een gek was.
Ik ben het daar niet mee eens.
Ignatius wil niet gemarteld worden
omdat hij een naam voor zichzelf wil maken,
maar omdat hij begrijpt dat hij in het martelaarschap
één wordt met de enige ware martelaar:
Jezus Christus.

Misschien was hij gek… hij was smoorverliefd op Christus!
Hij verlangde ernaar verenigd te worden met Christus,
hij verlangde ernaar zo dicht mogelijk bij Jezus Christus te zijn:
‘Ik verlang naar het brood van God,
dat is het vlees van Jezus Christus…
en als drank verlang ik naar zijn bloed,
dat is onvergankelijke liefde.’
Hij verlangde naar Jezus boven alles,
zelfs boven zijn eigen leven.

Martelaarschap, op deze manier gezien,
is een waarlijk ‘romantische’ daad –
een daad van iemand die zo verlangend is naar,
zo waarlijk, krankzinnig, diep verliefd op Jezus,
dat ze alles zullen geven voor Jezus’ wil.
Martelaren laten ons het echte patroon van liefde zien:
het offer van onszelf voor het welzijn van een ander.
Dit is de les die Jezus zijn discipelen leerde:
‘Niemand heeft grotere liefde dan deze,
dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.’
In het leven en de dood van de martelaar zien we
deze echte liefde gemanifesteerd,
en het is niet onbeantwoord maar volledig beantwoord.
Jezus verlangt naar ons en sterft voor ons,
en de martelaar verlangt naar Jezus en sterft voor hem.
Zoals Ignatius aan de Romeinen schrijft:
‘Verlang ernaar, opdat ook u begeerd mag worden.’

Dit is de les die elk stel, naarmate ze groeien
in hun leven en hun liefde samen, langzaam leert.
Als we romantiek en liefde zoeken,
proberen we niet te veranderen,
of te controleren, of plezier te halen uit de ander als object;
we proberen onszelf vrij en volledig aan hen te geven,
in de vreugde van dienstbaarheid en opoffering.
Op onze kleine manier,
wanneer we ons wagen aan het grote mysterie van de ‘romantiek’,
proberen we zelf martelaren te zijn –
martelaren voor degene van wie we houden.

Valentijn was een man van oprechte liefde,
want hij was een martelaar.
Er is geen grotere reden
om een beschermheer te zijn van de passie,
van zaken van het hart,
van romantische liefde.